ECLI:NL:CRVB:2022:1913
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en beperkingen bij medicijngebruik in WIA-uitkering
Appellant was steigerbouwer en meldde zich ziek na een verkeersongeval met rugpijn. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en kende hem een WGA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar tegen de mate van arbeidsongeschiktheid en voerde aan dat medicijngebruik en sociale beperkingen onvoldoende waren meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat rekening hielden met medicijngebruik. Extra beperkingen voor sociale contacten werden niet onderbouwd. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De Raad benadrukte dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom geen extra beperkingen nodig waren en dat het motiveringsgebrek in het besluit met betrekking tot het aanvullend arbeidskundig rapport was gepasseerd. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV-besluit tot vaststelling van 64,16% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.