ECLI:NL:CRVB:2022:1876
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking terugwerkende kracht kinderbijslag op grond van dwingend recht
Appellante had kinderbijslag ontvangen voor haar dochters, die in 2016 uit huis geplaatst werden. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde het recht op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2016 wegens niet voldoen aan de onderhoudseis. Appellante vroeg in 2020 opnieuw kinderbijslag aan, welke werd toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2019. Haar bezwaar tegen deze ingangsdatum werd ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat de kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan één jaar voorafgaand aan het kwartaal van aanvraag, conform het dwingendrechtelijke artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Appellante stelde dat bijzondere omstandigheden een ruimere terugwerkende kracht rechtvaardigen, omdat zij niet was gewezen op bepaalde forfaitaire onderhoudskosten.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en benadrukte dat sinds 1 januari 2016 geen uitzonderingsmogelijkheid meer bestaat in artikel 14 AKW Pro. Er is geen ruimte voor belangenafweging of toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Appellante had bovendien niet alle relevante gegevens verstrekt, waardoor geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.
Uitkomst: De kinderbijslag wordt toegekend met ingang van maximaal één jaar voor de datum van aanvraag, conform artikel 14, derde lid, AKW.