Uitspraak
20 4373 PW
4 december 2020, 20/444 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. Uit onderzoek bleek dat hij van 18 juni 2018 tot en met 31 januari 2019 in een inrichting verbleef, maar dit niet aan het Cluster Maatschappelijke Zaken heeft gemeld, hoewel hij wel een adreswijziging aan de afdeling Burgerzaken doorgaf.
Het college van burgemeester en wethouders heeft op grond hiervan de bijstand over een deel van deze periode herzien en de teveel ontvangen bijstand teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat hij niet in staat was het verblijf te melden en dat het college onvoldoende bewijs had voor de toepassing van de inrichtingsnorm.
De Raad oordeelt dat de inlichtingenverplichting op appellant rust en dat het doorgeven van een adreswijziging aan Burgerzaken niet gelijkstaat aan melding van verblijf in een inrichting aan het juiste cluster. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kon melden. Ook zijn beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen faalt, omdat bestaande psychische klachten en financiële bescherming via beslagvrije voet geen onaanvaardbare gevolgen opleveren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en de terugvordering van € 3.569,19. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.