ECLI:NL:CRVB:2022:1834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, voormalig taxichauffeur, meldde zich in 2013 ziek met fysieke klachten. Het UWV wees aanvankelijk zijn WIA-uitkering af wegens geringe arbeidsongeschiktheid. Na een toename van klachten ontving appellant vanaf september 2016 een WIA-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 4 juli 2017 omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar deze werden ongegrond verklaard.
In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV zijn beperkingen onderschatte en vroeg om een deskundige benoeming. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren gemotiveerd. Het door appellant overgelegde rapport van het Expertise Instituut gaf onvoldoende aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde beperkingen.
Ook de weigering van een WIA-uitkering per 17 oktober 2017 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid werd bevestigd. De Raad wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijk deskundige af omdat de verschillen in medische beoordelingen niet voldoende aanleiding gaven. De rechtbank en de Raad oordeelden dat het UWV terecht de uitkering beëindigde en geweigerd heeft toe te kennen. Tevens werd appellant een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd en geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.