Appellant was sinds 2001 werkzaam bij het ministerie van Justitie en Veiligheid en kreeg in 2017 een schriftelijke berisping wegens herhaaldelijk niet naleven van werk- en aanvangstijden. Ondanks waarschuwingen bleef appellant te laat komen en werkte hij structureel minder uren dan contractueel vereist. In mei 2018 legde de minister hem ontslag op wegens dit plichtsverzuim.
Appellant maakte bezwaar tegen het ontslag en tegen de eindafrekening van zijn verlofuren, maar deze bezwaren werden door de minister ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het ontslag niet onevenredig was en dat de minister terecht uitging van het verlofsaldo uit 2017.
In hoger beroep bevestigt de Raad het oordeel van de rechtbank over het plichtsverzuim en het ontslag. De Raad wijst het verweer van appellant af dat hij vanwege medische beperkingen niet aan werktijden kon voldoen en dat een cultuur van flexibele werktijden bestond. Wel vernietigt de Raad het oordeel over de kostenvergoeding in bezwaar en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief griffierecht.