ECLI:NL:CRVB:2022:1608

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2022
Publicatiedatum
19 juli 2022
Zaaknummer
21/1040 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering AOW-ouderdomspensioen wegens onvoldoende bewijs verzekeringstijdvakken

Appellant, woonachtig in Marokko, verzocht om toekenning van een AOW-ouderdomspensioen op grond van een verblijf en werkperiode in Nederland tussen 1966 en 1973. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit omdat niet was gebleken dat appellant verzekerd was geweest voor de AOW.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat niet aannemelijk was dat appellant dezelfde persoon was als de in Nederland woonachtige en werkzame persoon uit die periode. Appellant stelde in hoger beroep dat hij onder een andere naam in Nederland had gewoond en gewerkt en verwees naar diverse verklaringen en stukken ter onderbouwing.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat appellant niet heeft aangetoond dat hij en de genoemde persoon dezelfde zijn. Hierdoor kan niet worden aangenomen dat appellant AOW-verzekeringstijdvakken heeft vervuld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het AOW-ouderdomspensioen wegens onvoldoende bewijs van verzekeringstijdvakken.

Uitspraak

21.1040 AOW

Datum uitspraak: 14 juli 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2021, 20/378 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2022. Namens appellant is mr. Willering verschenen, vergezeld door [naam] , schoondochter van appellant.
De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, die in Marokko woont, heeft in 2017 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Daarbij heeft appellant te kennen gegeven dat hij in 1952 is geboren en van 1966 tot 1973 in Nederland te hebben gewoond en gewerkt.
1.2.
Bij besluit van 8 januari 2019 heeft de Svb geweigerd om aan appellant een AOWouderdomspensioen toe te kennen op de grond dat niet gebleken is dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW. Het bezwaar van appellant hiertegen is bij besluit van 17 december 2019 (bestreden besluit) door de Svb ongegrond geacht. Daartoe is overwogen dat niet aannemelijk geworden is dat appellant, zoals hij stelt, dezelfde persoon is als [naam] , geboren in 1943, die eind jaren 60 en begin jaren 70 van de vorige eeuw in Nederland heeft gewoond en gewerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat – kort gezegd – de Svb toereikend onderzoek heeft verricht en dat noch in bezwaar, noch in beroep aannemelijk geworden is dat appellant dezelfde persoon is als [naam] .
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij eind jaren 60 en begin jaren 70 van de vorige eeuw in Nederland heeft gewoond en gewerkt onder de naam [naam] en dat hij daarom recht heeft op een ouderdomspensioen op grond van de AOW. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellant verwezen naar de verklaringen en stukken die tijdens de rechtbankprocedure en daarvoor door hem zijn overgelegd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De Raad onderschrijft wat de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak en maakt deze overwegingen tot de zijne. Appellant heeft met de door hem overgelegde verklaringen en stukken niet aangetoond dat hij en [naam] , die onbetwist eind jaren 60 en begin jaren 70 van de vorige eeuw in Nederland heeft gewoond en gewerkt, werkelijk dezelfde persoon zijn. Daarom kan niet worden aangenomen dat appellant voor de AOW tijdvakken van verzekering heeft vervuld.
4.2.
Uit punt 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen als voorzitter en M. Wolfrat en M.L. Noort als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2022.
(getekend) A. van Gijzen
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.