Uitspraak
21.1040 AOW
De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, woonachtig in Marokko, verzocht om toekenning van een AOW-ouderdomspensioen op grond van een verblijf en werkperiode in Nederland tussen 1966 en 1973. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit omdat niet was gebleken dat appellant verzekerd was geweest voor de AOW.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat niet aannemelijk was dat appellant dezelfde persoon was als de in Nederland woonachtige en werkzame persoon uit die periode. Appellant stelde in hoger beroep dat hij onder een andere naam in Nederland had gewoond en gewerkt en verwees naar diverse verklaringen en stukken ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat appellant niet heeft aangetoond dat hij en de genoemde persoon dezelfde zijn. Hierdoor kan niet worden aangenomen dat appellant AOW-verzekeringstijdvakken heeft vervuld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het AOW-ouderdomspensioen wegens onvoldoende bewijs van verzekeringstijdvakken.