Uitspraak
21.4476 WIA-PV
mr. W. de Rooy-Bal.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bij het UWV verzocht om terug te komen op het besluit van 6 februari 2018 waarin de hoogte van zijn WIA-uitkering werd vastgesteld. Dit verzoek werd door het UWV geweigerd bij besluit van 16 mei 2019 en het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 22 april 2020. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is op basis van door hem ingebrachte medische informatie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze informatie geen nieuwe medische feiten of omstandigheden bevat die niet al bekend waren of een nieuw licht werpen op de medische situatie. Het onderzoek van het UWV was voldoende zorgvuldig en goed gemotiveerd.
De Raad wees ook op het Korošec-arrest, waarbij een nieuw feit of veranderde omstandigheid moet worden aangetoond om herziening te rechtvaardigen. Het inschakelen van een onafhankelijke deskundige door de bestuursrechter is in dit stadium niet aan de orde. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot afwijzing van herziening van de WIA-uitkering wordt bevestigd.