ECLI:NL:CRVB:2022:1540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant, laatst werkzaam als constructiebankwerker, meldde zich ziek na een val met lichamelijke klachten. Het UWV kende aanvankelijk een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze later omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen in andere functies. Na een nieuwe ziekmelding met rug- en psychische klachten weigerde het UWV opnieuw een Ziektewet-uitkering toe te kennen per 11 februari 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat nieuwe medische gegevens die na de datum in geding waren verkregen niet relevant waren voor de beoordeling. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen waren onderschat, dat hij diabetes, rugklachten en psychische klachten had, en dat een onafhankelijke arts had moeten onderzoeken. Hij verwees naar het Korošec-arrest voor benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank. Het onderzoek door het UWV was zorgvuldig en de medische conclusies werden onderschreven. De radiologische onderzoeken na de datum in geding konden niet worden meegewogen. Het beroep op het Korošec-arrest en het verzoek om een onafhankelijke deskundige werden afgewezen. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewet-uitkering bevestigd.