ECLI:NL:CRVB:2022:1521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens geschiktheid voor EZWb-functies
Appellante was manager en meldde zich ziek met psychische klachten, waarna zij een ZW-uitkering ontving. Het UWV stelde vast dat zij op 21 juli 2018 meer dan 65% van haar loon kon verdienen via geselecteerde functies binnen de EZWb, en beëindigde de uitkering. Na een nieuwe ziekmelding en medische beoordeling per 16 april 2019 besloot het UWV opnieuw de ZW-uitkering te weigeren omdat appellante geschikt werd geacht voor ten minste één EZWb-functie.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld en de beperkingen onvoldoende waren voor een voortzetting van de uitkering. Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische klachten werden onderschat en een urenbeperking noodzakelijk was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was, waarbij rekening is gehouden met alle medische informatie, waaronder diagnoses en medicatiegebruik. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding was voor een urenbeperking en dat de belastbaarheid op de datum in geding juist was vastgesteld.
De Raad bevestigt dat appellante per 16 april 2019 geschikt was voor ten minste één van de EZWb-functies en dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft geweigerd. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht de ZW-uitkering per 16 april 2019 geweigerd omdat appellante geschikt is voor ten minste één EZWb-functie.