AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling hoger beroep inzake begeleiding en redelijke termijn overschrijding Wmo
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn over de omvang van begeleiding op grond van de Wmo. Het college had bepaald dat appellant recht had op begeleiding van maximaal één uur per week, hetgeen ook was gerealiseerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en vorderde een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRMPro. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college geen rechtsregel had geschonden en dat de vrees van appellant voor nadelige financiële gevolgen ongegrond was.
De Raad stelde vast dat de procedure van ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak meer dan vijf jaar duurde, wat een overschrijding van de redelijke termijn met afgerond anderhalf jaar betekent. Daarom werd appellant een schadevergoeding van € 1.500,- toegekend, te betalen door de Staat. Het hoger beroep werd verder afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen, maar appellant krijgt een schadevergoeding van € 1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
18.2763 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 april 2018, 17/2860 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat)
Datum uitspraak: 15 juni 2022
Zitting hebben: D. Hardonk-Prins als voorzitter en M.A.H. van Dalen-van Bekkum en A.E. Dutrieux als leden
Griffier: S.N. de Groot
Partijen zijn niet ter zitting verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit op bezwaar van 26 april 2017 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 december 2016 ongegrond verklaard en bepaald dat appellant een dwangsom toekomt van € 120,-.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat appellant niet meer dan één uur per week begeleiding van Leger des Heils Gelderland heeft willen ontvangen. Met het bestreden besluit heeft het college bewerkstelligd dat appellant over de van belang zijnde periode recht had op begeleiding naar deze omvang. Hiermee heeft het college, anders dan appellant meent, geen rechtsregel geschonden. De angst van appellant dat het bestreden besluit nadelige financiële gevolgen voor hem zou hebben, was ongefundeerd en is ongegrond gebleken. Wat appellant heeft aangevoerd over de verbeurte van dwangsommen en het verzoek om veroordeling van het college tot vergoeding van schade betreft een herhaling van wat hij in beroep heeft betoogd. Dit betoog heeft de rechtbank afdoende besproken. Het hoger beroep slaagt niet.
5.1.
Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Voor de wijze van beoordeling van een dergelijk verzoek wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Voor dit geval betekent dit het volgende.
5.2.
Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 12 januari 2017 tot de datum van deze uitspraak is een periode van vijf jaar en ruim vijf maanden verstreken. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. De redelijke termijn is dus met afgerond anderhalf jaar overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Aan appellant zal daarom een schadevergoeding van € 1.500,- worden toegekend, te betalen door de Staat.
6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) S.N. de Groot (getekend) D. Hardonk-Prins