ECLI:NL:CRVB:2022:1437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum IOAW-uitkering zonder bijzondere omstandigheden
Appellant had een WW-uitkering die liep tot 15 februari 2020. Op 6 maart 2020 meldde hij zich bij het college voor een IOAW-uitkering en diende hij diezelfde dag de aanvraag in. Het college kende de IOAW-uitkering toe met ingang van 6 maart 2020, zonder terugwerkende kracht.
Appellant voerde aan dat de uitkering eerder had moeten ingaan, omdat hij al bekend was bij het Uwv en het Uwv hem had moeten wijzen op de mogelijkheid tot een IOAW-uitkering. De Raad oordeelde dat het Uwv niet verplicht was appellant te informeren zonder dat hij zelf had aangegeven een IOAW-uitkering te willen aanvragen. Tevens had appellant zich niet eerder gemeld of actie ondernomen richting het Uwv of het college.
Verder stelde de Raad dat het ontbreken van informatie door het Uwv geen bijzondere omstandigheid vormt die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigt. Appellant had de brief van 17 december 2019 ontvangen waarin de einddatum van de WW-uitkering werd vermeld en had niet aannemelijk gemaakt dat hij door gebrek aan informatie werd weerhouden van het aanvragen van een IOAW-uitkering.
De Raad verwierp ook het verweer dat appellant niet verwijtbaar had gehandeld door de aanvraag pas op 6 maart 2020 in te dienen. De aanvraag werd immers op de dag van melding ingediend. Daarom bevestigde de Raad het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank dat de IOAW-uitkering ingaat op 6 maart 2020.
Uitkomst: De ingangsdatum van de IOAW-uitkering wordt bevestigd op 6 maart 2020 zonder terugwerkende kracht.