Betrokkenen, met een complexe en kwetsbare situatie, ontvingen maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 voor begeleiding en dagopvang. Het college besloot per 1 mei 2018 maatwerkvoorzieningen voor dagopvang te beëindigen omdat zij vonden dat een algemene voorziening via een organisatie volstond.
De rechtbank oordeelde dat deze voorziening geen algemene maar maatwerkvoorziening is en vernietigde het besluit voor zover het dagopvang betreft. Het college ging in hoger beroep en stelde dat de voorziening wel algemeen is, terwijl betrokkenen dit betwistten.
De Raad concludeert dat het college het onderzoek niet volledig en zorgvuldig heeft uitgevoerd zoals vereist in de Wmo 2015. Het onderzoek richtte zich te eenzijdig op de algemene voorziening zonder eerst de hulpvraag en beperkingen van betrokkenen adequaat in kaart te brengen. Ook ontbrak duidelijkheid over de concrete invulling van de algemene voorziening.
Daarom moeten nieuwe besluiten worden genomen na een volledig onderzoek. De Raad ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien of de bestuurlijke lus toe te passen. Het verzoek om schadevergoeding wegens wettelijke rente wordt afgewezen omdat de omvang van schade nog niet vaststaat.
Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkenen en moet griffierecht betalen. Tegen de nieuwe besluiten kan alleen beroep bij de Raad worden ingesteld.