ECLI:NL:CRVB:2022:1392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat eerste arbeidsongeschiktheidsdag in juni 2017 lag en appellant niet verzekerd was voor ZW
Appellant was werkzaam als medewerker klantenservice tot zijn dienstverband op 28 maart 2017 van rechtswege eindigde. Na een aanvraag voor een Ziektewetuitkering in juli 2017 kende het UWV een uitkering toe, maar beëindigde deze in juli 2018 omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard omdat volgens het UWV de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 15 juni 2017 lag, waarna appellant niet meer verzekerd was.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 15 juni 2017 lag en gaf het UWV de gelegenheid dit te onderbouwen. Met een aanvullend rapport motiveerde het UWV dat appellant in juni 2017 twee ernstige epileptische insulten had gehad die blijvende cognitieve beperkingen veroorzaakten, waardoor hij zijn werk niet meer kon verrichten.
Appellant stelde in hoger beroep dat de beperkingen al eind 2016 of begin 2017 bestonden, waardoor hij toen al arbeidsongeschikt was en verzekerd was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat uit de medische informatie blijkt dat appellant na de aanvallen eind 2016 weer heeft gewerkt en niet uitviel, en dat de ernstige beperkingen pas na de insulten in juni 2017 zijn ontstaan. Daarom was de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht in juni 2017 vastgesteld en was appellant ten tijde van belang niet verzekerd voor de Ziektewet.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in juni 2017 lag en appellant niet verzekerd was voor de Ziektewet.