ECLI:NL:CRVB:2022:1363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
Appellante verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) wegens het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat haar echtgenoot op het moment van overlijden niet verzekerd was voor de ANW. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk en het bestreden besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar financiële situatie slecht was en zij de uitkering nodig had voor medische verzorging en haar gezin. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het feit dat haar echtgenoot recht had op AOW-pensioen niet betekent dat hij verzekerd was voor de ANW. Tevens was niet in geschil dat hij niet vrijwillig verzekerd was volgens de ANW en ook niet verzekerd was op grond van de Marokkaanse wetgeving.
De Raad concludeerde dat appellante geen aanspraak kan maken op een nabestaandenuitkering op grond van de ANW en het verdrag tussen Nederland en Marokko. De financiële situatie van appellante leidt niet tot een verplichting om af te wijken van de wettelijke bepalingen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante heeft geen recht op een nabestaandenuitkering.