Uitspraak
18.5272 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 172,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek met rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door jaren zwaar werk ernstige beperkingen heeft en de geselecteerde functies niet kan verrichten. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die bevestigde dat appellant forse pijnklachten heeft, maar zonder volledig somatisch substraat. De deskundige adviseerde een aanvullende beperking voor boven schouderhoogte werken, wat niet voorkomt in de geselecteerde functies. De Raad concludeerde dat appellant geschikt is voor deze functies en bevestigde het bestreden besluit.
Verder oordeelde de Raad dat het UWV het besluit aanvankelijk onvoldoende had gemotiveerd, maar dat dit gebrek met toepassing van de Awb is gepasseerd omdat appellant niet benadeeld is. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten. Ten slotte kende de Raad appellant een schadevergoeding toe van €1000 wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechterlijke fase en veroordeelde de Staat in de proceskosten van appellant voor dit verzoek.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en kent schadevergoeding toe wegens overschrijding redelijke termijn.