ECLI:NL:CRVB:2022:1302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij afwijzing Wlz-zorg
Appellante, geboren in 1938 en bekend met verschillende lichamelijke aandoeningen, diende op 26 maart 2019 een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag op 29 april 2019 af, een besluit dat bij bezwaar van 17 juli 2019 werd gehandhaafd. De afwijzing was gebaseerd op een medisch advies waarin werd geconcludeerd dat appellante geen Wlz-zorg nodig had.
De rechtbank Overijssel verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden en het medisch advies zorgvuldig was opgesteld. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
In de procedure stelde het CIZ op 28 maart 2022 een nieuwe indicatie voor Wlz-zorg vast, ingaand per die datum. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat dit nieuwe besluit niet automatisch onderdeel is van het hoger beroep en dat procesbelang ontbreekt, omdat appellante het met het nieuwe besluit behaalde resultaat ook met het hoger beroep nastreefde. Er was geen sprake van gemaakte kosten of betalingsverplichtingen die schade zouden kunnen veroorzaken.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.