ECLI:NL:CRVB:2022:1241

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2022
Publicatiedatum
9 juni 2022
Zaaknummer
21/1931 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 16 ToepassingsverordeningenVerordening (EG) nr. 987/2009
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift te laat ingediend tegen besluiten Sociale Verzekeringsbank niet-ontvankelijk verklaard

Appellant diende op 10 januari 2020 een bezwaarschrift in tegen besluiten van 8 november 2019 van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), die betrekking hadden op de toepassing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op derden. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken.

De rechtbank Noord-Nederland verklaarde de beroepen van appellant tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar zou moeten zijn, mede vanwege verwarring over een in de besluiten genoemde termijn van twee maanden in Unierechtelijke zin en het feit dat het bezwaarschrift niet door een jurist was ingediend.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bezwaartermijn correct was vastgesteld en dat de verwijzing in de besluiten naar een termijn van twee maanden betrekking had op de voorlopige vaststelling van wetgeving en niet op de bezwaartermijn. Er waren geen omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. Daarom werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en werd de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaarschrift van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

21/1931 AOW en 21/1932 AOW
Datum uitspraak: 19 mei 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2021, 21/772 en 21/773 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[bedrijf] te Liechtenstein (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
[derde-partij 1] te [woonplaats 1] (derde-partij)
[derde-partij 2] te [woonplaats 2] (derde-partij)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H. Weermeijer hoger beroepen ingesteld.
De Svb heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2022. Namens appellant en de derde-partijen is mr. Weermeijer verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg en mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluiten van 8 november 2019 heeft de Svb de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op de derde-partijen van toepassing verklaard over periodes waarin zij bij appellant op de loonlijst hebben gestaan.
1.2.
Per aangetekende post van 10 januari 2020 heeft appellant een op 20 december 2019 gedateerd bezwaarschrift naar de Svb verstuurd dat is gericht tegen de onder 1.1 vermelde besluiten. Dit bezwaarschrift is op 14 januari 2020 door de Svb ontvangen.
1.3.
Bij besluiten van 28 april 2020 (bestreden besluiten) heeft de Svb de bezwaren van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbaar geachte overschrijding van de bezwaartermijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de Svb de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar had moeten achten. Daartoe is aangevoerd dat – kort weergegeven – in de besluiten van 8 november 2019 is vermeld dat deze in Unierechtelijke zin op zijn vroegst na twee maanden definitief zouden worden. Volgens appellant kan dit hebben geleid tot verwarring, temeer nu zijn bezwaarschrift niet is ingediend door een jurist.
3.2.
De Svb heeft in hoger beroep verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4.1.
De Raad oordeelt als volgt.
4.2.
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Overeenkomstig artikel 6:8 van Pro de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
4.3.
Appellant heeft op 10 januari 2020 een bezwaarschrift ingediend tegen de besluiten van 8 november 2019, welke besluiten appellant volgens zijn verklaring op 14 november 2019 heeft ontvangen. Dit betekent dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellant bezwaar heeft gemaakt na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn.
4.4.
Appellant heeft in hoger beroep geen omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is te achten in de zin van artikel 6:11 van Pro de Awb. In de besluiten van 8 november 2019 staat duidelijk vermeld dat bezwaarschriften vóór 21 (of 24) december 2019 bij de Svb moesten worden ingediend. Het feit dat in de besluiten van 8 november 2019 is vermeld dat deze in Unierechtelijke zin op zijn vroegst na twee maanden definitief zouden worden, leidt niet tot een ander oordeel. Deze verwijzing naar twee maanden ziet op de voorlopige vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van artikel 16 van Pro de Toepassingsverordening [1] en niet op de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de Svb het bezwaar van appellant tegen de bestreden besluiten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat de hoger beroepen van appellant niet slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen als voorzitter en M. Wolfrat en M.L. Noort als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2022.
(getekend) A. van Gijzen
(getekend) M.E. van Donk

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 987/2009.