Uitspraak
21.522 WW-PV
BESLISSING
WW-uitkering van appellant toen hij het verzoek deed om terug te komen van het besluit van 11 december 2013 al was beëindigd, zodat ook geen sprake kon zijn van een wijziging per toekomende datum.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 1 november 2013 een ABP-keuzepensioen en werd vanaf 2 december 2013 een WW-uitkering toegekend. Het UWV heeft bij besluit van 11 december 2013 het ABP-keuzepensioen gekort op de WW-uitkering. In 2018 verzocht appellant het UWV om terug te komen op dit besluit, verwijzend naar een uitspraak van de Raad uit 2017.
Het UWV weigerde dit verzoek in februari 2019 wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden en verklaarde het bezwaar ongegrond in maart 2019. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de rechtbank en bevestigt dat het toetsingskader van artikel 4:6 Awb Pro correct is toegepast.
De Raad oordeelt dat de nieuwe jurisprudentie niet als nieuw feit kan worden aangemerkt en dat appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het oorspronkelijke besluit. Het ABP-keuzepensioen wordt gezien als inkomen dat op de WW-uitkering in mindering wordt gebracht, tenzij het pensioen betrekking heeft op eerder verlies van arbeidsuren, wat hier niet het geval is.
Daarom is het besluit van het UWV om niet terug te komen op de korting terecht en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht geweigerd terug te komen op de korting van het ABP-keuzepensioen op de WW-uitkering.