ECLI:NL:CRVB:2022:1074
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van ongewijzigde vaststelling arbeidsongeschiktheid op 27,51% door UWV
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar arbeidsongeschiktheidspercentage te verlagen van 80-100% naar 25-35%. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per 9 oktober 2017 vast op 27,51%, wat leidde tot de genoemde indeling.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond en benoemde een onafhankelijke psychiater die een rapport uitbracht. Deze deskundige concludeerde dat appellante leed aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met kenmerken van dwangmatigheid, vermijding en borderline, en geen depressieve stoornis. De beperkingen werden adequaat weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 november 2018.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV en de deskundige niet voldeden aan de verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden en dat preventief een urenbeperking had moeten worden vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep volgde echter het oordeel van de onafhankelijke deskundige en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de FML juist was vastgesteld.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch passend zijn voor appellante en dat het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht ongewijzigd bleef. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het arbeidsongeschiktheidspercentage van 27,51% wordt bevestigd.