Betrokkenen ontvingen bijstand sinds oktober 2016. Naar aanleiding van een IB-signaal over inkomsten uit werkzaamheden in een kapsalon werd een onderzoek ingesteld. Betrokkene 1 overhandigde meerdere oproepovereenkomsten en mutatieformulieren, maar deze bevatten tegenstrijdigheden en boden onvoldoende duidelijkheid over de omvang van de werkzaamheden.
De gemeente trok de bijstand in vanaf september 2017 wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, omdat het onderzoek onvoldoende grondslag bood voor de schending. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad onderscheidde twee periodes: november 2017 en december 2017 tot maart 2018. Voor november 2017 werd vastgesteld dat de inlichtingenverplichting was geschonden vanwege tegenstrijdige en onduidelijke gegevens, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Voor de periode december 2017 tot maart 2018 werd eveneens een schending vastgesteld vanwege onvolledige opgave van werkzaamheden, ondersteund door waarnemingen van sociale recherche.
De Raad oordeelde echter dat vanaf 1 maart 2018 geen voldoende feitelijke grondslag bestond voor schending van de inlichtingenverplichting. Tevens werd de proceskostenveroordeling in bezwaar vernietigd omdat die kosten reeds waren vergoed. Het hoger beroep van het college werd gedeeltelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank deels vernietigd.