ECLI:NL:CRVB:2021:98
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde AWBZ-voorschotten wegens niet-naleving pgb-verplichtingen
Appellant ontving voor 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de AWBZ. Het zorgkantoor keurde de verantwoordingsformulieren af vanwege onvolledige en onjuiste administratie, waaronder vooruitfacturering, contante betalingen en onduidelijke facturen. Het zorgkantoor stelde het pgb op nihil vast en vorderde de voorschotten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was en dat het zorgkantoor meerdere besluiten had moeten nemen. Tevens betwistte hij de schending van pgb-verplichtingen.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat appellant de administratieve verplichtingen niet had nageleefd en dat het zorgkantoor terecht het pgb lager had vastgesteld en de terugvordering had ingesteld. De Raad benadrukte dat de verantwoordelijkheid voor de besteding van het pgb bij de verzekerde ligt, ook gezien diens kwetsbaarheid. De invordering valt buiten de omvang van het geding. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten bevestigd.