ECLI:NL:CRVB:2021:962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering IVA-uitkering en oplegging maatregel wegens niet opvolgen voorschrift verzekeringsarts
Appellante heeft een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen, maar haar verzoek om een IVA-uitkering werd afgewezen omdat haar arbeidsongeschiktheid niet duurzaam werd geacht. Het UWV stelde dat zij onvoldoende herstelgedrag vertoonde, ondanks het voorschrift van een verzekeringsarts om zich onder adequate psychische behandeling te stellen.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellante ongegrond, stellende dat er nog behandelmogelijkheden waren en dat appellante deze niet volgde. Ook werd de maatregel van het UWV om de uitkering met 25% te verlagen wegens het niet opvolgen van het voorschrift als terecht beoordeeld.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij recht heeft op een IVA-uitkering en dat de maatregel onterecht is. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbanken en het UWV, stellende dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was en dat appellante verwijtbaar het voorschrift niet had opgevolgd.
De Raad benadrukte dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke inschatting maakte van de herstelkansen en dat niet-medische factoren een rol speelden bij het niet volgen van behandeling. De opgelegde maatregel was proportioneel en passend bij de ernst van de gedraging.
De hoger beroepen worden verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de IVA-uitkering en de oplegging van een maatregel van 25% voor vier maanden wegens het niet opvolgen van een voorschrift.