Uitspraak
Wuv
Wbp
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft beroep ingesteld tegen twee besluiten van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin haar aanvragen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp) zijn afgewezen. Zij baseerde haar verzoek op het verzetsverleden en het overlijden van haar vader in een concentratiekamp.
De Raad oordeelt dat appellante geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan en dat de medische adviezen van twee onafhankelijke artsen geen aanwijzingen geven dat haar psychische klachten redelijkerwijs verband houden met het overlijden van haar vader. De klachten worden vooral toegeschreven aan de relatie met haar moeder en het hertrouwen van haar moeder.
Ook voor de Wbp-aanvraag is vastgesteld dat hoewel er sprake is van een verstoring van de levensomstandigheden, deze niet aantoonbaar het gevolg is van het verzet van haar vader. De medische gegevens ondersteunen het standpunt van verweerder dat geen sprake is van een ernstige verstoring door het verzet.
De Raad verklaart beide beroepen ongegrond en handhaaft de bestreden besluiten. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De beroepen van appellante tegen de afwijzing van haar aanvragen op grond van de Wuv en de Wbp worden ongegrond verklaard.