ECLI:NL:CRVB:2021:822
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing ziekengeld na eerstejaars Ziektewet-beoordeling wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellant, laatstelijk werkzaam als metselaar, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) concludeerde het Uwv dat appellant met inachtneming van beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) nog 89,71% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het Uwv de belastbaarheid van appellant niet onjuist had ingeschat, ook rekening houdend met huidkanker en psychische klachten. De thuissituatie en daarmee samenhangende psychische belasting werden niet als ziektegevolg meegewogen, conform vaste jurisprudentie.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen en overhandigde nieuwe medische informatie. De Raad volgde dit niet, omdat de medische gegevens geen objectief bewijs van bijkomende beperkingen opleverden. De subjectieve klachtenbeleving werd niet doorslaggevend geacht. De Raad onderschreef het oordeel dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.