Uitspraak
19.4208 WSF
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 maart 2019 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene had recht op studiefinanciering inclusief een studentenreisproduct, dat per 1 september 2018 werd beëindigd. Zij stopte het reisproduct pas op 4 december 2018, waardoor een OV-schuld ontstond. De rechtbank had geoordeeld dat de OV-schuld een punitief karakter heeft en de boete niet proportioneel was, waardoor zij de schuld verlaagde.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het systeem rond het reisproduct inhoudt dat de Staat een vergoeding aan OV-bedrijven betaalt voor geactiveerde reisrechten, ongeacht gebruik. De OV-schuld compenseert deze kosten en heeft daardoor een reparatoir karakter, niet een bestraffend karakter.
De Raad onderschreef dat de te late stopzetting aan betrokkene kan worden toegerekend maar verwierp het oordeel van de rechtbank dat de OV-schuld een bestuurlijke boete is. Het beroep werd ongegrond verklaard en de OV-schuld bleef in stand. De Raad wees tevens op het ontbreken van aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot oplegging van de OV-schuld wordt ongegrond verklaard en de OV-schuld blijft in stand.