ECLI:NL:CRVB:2021:712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning WIA-uitkering bij vermeende toegenomen beperkingen
Appellante, voormalig productiemedewerker, vroeg meerdere keren om een WIA-uitkering wegens vermeende toegenomen lichamelijke en psychische klachten. Het UWV weigerde deze uitkering telkens omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was en er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De medische rapporten van verzekeringsartsen concludeerden dat de klachten van appellante, waaronder migraine en psychische symptomen, niet leidden tot een toename van de arbeidsongeschiktheid zoals bedoeld in artikel 55 van Pro de Wet WIA.
Appellante stelde dat haar klachten waren verergerd en dat sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid, maar leverde geen nieuwe medische informatie die dit ondersteunde. De Raad vond geen aanleiding om aan de medische beoordelingen te twijfelen of een deskundige in te schakelen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar.