ECLI:NL:CRVB:2021:7
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat bijschrijvingen meerderjarige zoon als inkomen bij bijstand gelden
Appellanten ontvangen sinds 1997 bijstand en werden in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek geconfronteerd met bijschrijvingen van hun meerderjarige zoon op hun bankrekening. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft deze bijschrijvingen als inkomen aangemerkt en de bijstand over de periode mei 2017 tot maart 2018 herzien, met een terugvordering van €4.093.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de bijschrijvingen leningen waren van hun zoon, bedoeld om creditcardschulden af te lossen, waardoor zij er niet op vooruit waren gegaan. De Raad verwierp dit verweer, stellende dat kasstortingen en bankbijschrijvingen in principe als middelen worden beschouwd, tenzij aannemelijk is gemaakt dat de beschikking erover beperkt is.
De Raad constateerde dat de bijschrijvingen hoger waren dan de aflossingen en dat de creditcards ook werden gebruikt voor noodzakelijke kosten. Bovendien is een geldlening niet uitgezonderd van het middelenbegrip in de Participatiewet. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bijschrijvingen van de meerderjarige zoon terecht als inkomen zijn aangemerkt en wijst het hoger beroep af.