ECLI:NL:CRVB:2021:627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen na zorgvuldige beoordeling
Appellante ontvangt sinds 1998 een Wajong-uitkering vanwege psychische klachten. Het UWV heeft in 2017 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, waardoor haar uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante betwistte deze beslissing en voerde aan dat zij niet in staat is om vier uur per dag te werken, mede vanwege fysieke en psychische klachten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De verzekeringsarts van het UWV had een zorgvuldig onderzoek gedaan, inclusief dossieronderzoek en een medisch onderzoek, en concludeerde dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is, ondanks haar borderline persoonlijkheidsstoornis, gegeneraliseerde angststoornis en alcoholabusus.
In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat het beginsel van equality of arms was geschonden omdat zij onvoldoende gelegenheid had gehad om haar medische informatie te verzamelen en te betwisten. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen, en dat de conclusie van de verzekeringsarts inzichtelijk en toereikend gemotiveerd was.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel dat appellante arbeidsvermogen heeft en dat de verlaging van haar Wajong-uitkering terecht is. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige en ook geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon is terecht bevestigd.