ECLI:NL:CRVB:2021:590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante, laatst werkzaam als voorvrouw/objectleidster, kreeg een WGA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 36,79%. Na herbeoordeling door het UWV werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 16,30%, waarna haar WIA-uitkering per 26 maart 2019 werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende waren onderbouwd.
Appellante bracht in hoger beroep geen nieuwe, op haar specifieke gezondheidstoestand gerichte medische informatie in die twijfel kon doen rijzen over de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank, waaronder dat de klachten van appellante voldoende waren meegewogen en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties passend waren.
De Raad wees ook het verzoek van appellante af om een onafhankelijke deskundige te benoemen, omdat de medische beoordeling niet ter discussie stond. De verwijzing naar eerdere uitspraken en algemene adviezen was onvoldoende om het besluit te herzien. De intrekking van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De intrekking van de WIA-uitkering per 26 maart 2019 wordt bevestigd.