ECLI:NL:CRVB:2021:498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand vanaf november 2014 en stond ingeschreven op het adres van zijn moeder. Na een onderzoek door sociale rechercheurs, waarbij verklaringen van de moeder en een getuige, bankgegevens en huisbezoeken werden betrokken, concludeerde het dagelijks bestuur dat appellant zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand in en vorderde terugbetaling van €29.141,54 over de periode van november 2014 tot mei 2018. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de verklaringen van zijn moeder onbetrouwbaar waren en dat een eerder huisbezoek aantoonde dat hij wel op het adres woonde.
De Raad oordeelde dat de verklaring van de moeder, ondersteund door de getuige en bankafschriften, voldoende bewijs vormde dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Latere ontkenningen van de moeder werden niet geloofd. Het eerdere huisbezoek weegt niet op tegen het latere onderzoek. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op het uitkeringsadres wordt bevestigd.