Uitspraak
16.1040 WIA, 17/6355 WWAJ
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierrecht
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig telecom-/automatiseringsmonteur, meldde zich in 2012 ziek met psychische klachten en vroeg uitkeringen aan op grond van de Wet WIA en Wet Wajong. Het UWV stelde aanvankelijk een lagere mate van arbeidsongeschiktheid vast, waarna appellant bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbanken oordeelden deels in het voordeel van appellant, maar het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep leidde tot een herbeoordeling.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die een nieuw rapport opstelde, leidend tot een herziene Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van februari 2020. Op basis hiervan stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 58,38% voor de WIA en 52,63% voor de Wajong. Appellant voerde aan dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege zijn beperkingen, maar de deskundige en arbeidsdeskundige concludeerden dat de functies medisch passend zijn.
De Raad volgt het oordeel van de deskundige en verklaart het beroep tegen het herziene besluit ongegrond. Daarnaast oordeelt de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden met ruim twee jaar, waardoor schadevergoeding wordt toegekend aan appellant. Tevens worden proceskosten en wettelijke rente toegewezen. De eerdere uitspraken en besluiten worden vernietigd voor zover zij niet in overeenstemming zijn met het nieuwe besluit.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 58,38% (WIA) en 52,63% (Wajong), het beroep tegen het herziene besluit is ongegrond verklaard, en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegekend.