ECLI:NL:CRVB:2021:396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering gehele toeslagbedrag door UWV ondanks echtscheidingsafspraak
Appellant ontving een toeslag op grond van de Toeslagenwet, welke het UWV bij besluit terugvorderde wegens niet gemelde inkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het invorderingsbesluit ongegrond, omdat het UWV alleen van de toeslaggerechtigde kan invorderen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij slechts voor de helft aansprakelijk is, omdat hij met zijn ex-partner in de echtscheidingsuitspraak is overeengekomen dat zij beiden voor de schulden aan het UWV verantwoordelijk zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV geen wettelijke grondslag heeft om bij de ex-partner van appellant te vorderen. De toeslag is toegekend aan appellant en het terugvorderingsbesluit is aan hem gericht en staat in rechte vast. De afspraak tussen appellant en zijn ex-partner betreft een privaatrechtelijke verhouding waarin het UWV geen partij is.
De Raad benadrukt dat appellant zelf de helft van het bedrag op zijn ex-partner moet verhalen. De uitzondering voor invordering bij partners in gemeenschap van goederen is niet van toepassing, omdat appellant ten tijde van het invorderingsbesluit gescheiden was. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het gehele invorderingsbedrag wordt terecht bij appellant ingevorderd.