ECLI:NL:CRVB:2021:3266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid door verschillende ziekteoorzaken bij WIA-uitkering
Appellante, voorheen productiemedewerker, ontving vanaf 13 mei 2013 een WIA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na een verslechtering van haar gezondheid in 2016 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor de uitkering werd beëindigd. In 2017 meldde appellante een toename van klachten, waarbij het UWV een herleving van de WGA-uitkering vaststelde met een arbeidsongeschiktheid van circa 65%.
Appellante betwistte dat de toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de eerdere uitkering en voerde aan dat CTS en ulnaropathie nauw verwant zijn. Het UWV stelde dat het verschil tussen de aandoeningen medisch duidelijk is en dat de toename van beperkingen het gevolg is van CTS, een andere ziekteoorzaak.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de medische beoordeling voldoende was gemotiveerd. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat de medische rapporten en onderzoeken, waaronder EMG-onderzoeken, duidelijk maken dat CTS en ulnaropathie verschillende aandoeningen zijn met verschillende gevolgen voor de arbeidsongeschiktheid.
De Raad wees het beroep van appellante af en bevestigde het besluit van het UWV. Er was geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd.