ECLI:NL:CRVB:2021:3239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant ontving bijstand vanaf februari 2014. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de gemeente Rotterdam een onderzoek naar zwartwerken. Sociaal rechercheurs observeerden appellant die meerdere dagen in een bedrijfsauto werkte en spullen pakte. Tijdens een gesprek gaf appellant aan sinds twee maanden af en toe te werken, maar verstrekte geen concrete informatie over frequentie en aard van werkzaamheden.
Het college besloot daarom de bijstand vanaf 1 september 2018 in te trekken en de bijstandskosten over september terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de intrekking doorloopt en het college niet hoeft te onderzoeken of appellant na de intrekking recht heeft op bijstand.
In hoger beroep stelde appellant dat het college ten onrechte het recht op bijstand beëindigde en dat hij vanaf november 2018 recht had op bijstand. De Raad volgt echter de rechtbank en bevestigt dat het intrekkingsbesluit tevens de beëindiging van de bijstand per 15 november 2018 inhoudt. Appellant heeft geen nieuwe aanvraag ingediend en het onderzoek toonde aan dat appellant werkzaamheden bleef verrichten.
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden en verklaart het hoger beroep ongegrond.