ECLI:NL:CRVB:2021:3236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag vanwege toekenning Ziektewetuitkering met terugwerkende kracht
Appellante vroeg op 10 november 2017 bijstand aan, die door het college werd afgewezen omdat zij niet op het opgegeven adres woonde. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende feitelijke grondslag. Vervolgens bleek dat het UWV met terugwerkende kracht vanaf 18 oktober 2016 een Ziektewetuitkering aan appellante had toegekend, die hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm.
Het college handhaafde daarop de afwijzing van de bijstandsaanvraag met het argument dat de ZW-uitkering een passende en toereikende voorliggende voorziening vormde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college onterecht ex nunc beoordeelde en dat het rechtsbeschermingsbeginsel zich tegen de gewijzigde grondslag keerde.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 7:11 Awb Pro het college de nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder de met terugwerkende kracht toegekende ZW-uitkering, mocht betrekken bij de heroverweging. Het feit dat appellante de uitkering ten tijde van de aanvraag nog niet had, doet hieraan niet af. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd omdat de met terugwerkende kracht toegekende Ziektewetuitkering een passende voorliggende voorziening vormt.