ECLI:NL:CRVB:2021:3210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en afwijzing individuele inkomenstoeslag wegens handel in softdrugs
Appellant ontvangt sinds 2003 bijstand en werd onderzocht na een melding van de politie over vermoedelijke fraude. Op 27 november 2018 trof de politie een handelshoeveelheid softdrugs van 9,2 kilogram en contant geld aan in zijn woning. Appellant gaf geen volledige verklaring en hield geen administratie bij van zijn inkomsten uit handel.
Het college trok de bijstand over november 2018 in en vorderde de kosten terug, en wees de aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag af. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij door het verstrekken van informatie zou worden geconfronteerd met zelfincriminatie, maar dit werd verworpen omdat de inlichtingenplicht losstaat van strafrechtelijke vervolging.
De Raad oordeelde dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant handelde in softdrugs en dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Zonder administratie kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De intrekking en terugvordering waren daarom terecht. Ook de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag werd bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en afwijzing van de individuele inkomenstoeslag worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht door handel in softdrugs.