ECLI:NL:CRVB:2021:3198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens belastbaarheid voor WIA-functies bevestigd
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in oktober 2014 ziek met fysieke klachten en ontving toen een WW-uitkering. Na afloop van de wachttijd weigerde het UWV in 2016 een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Later meldde zij zich in september 2017 ziek met psychische klachten en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend.
In oktober 2018 werd zij door een verzekeringsarts geschikt bevonden voor functies geselecteerd in het kader van de WIA, waarna het UWV haar Ziektewetuitkering beëindigde per 27 december 2018. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel na zorgvuldige medische beoordeling, inclusief psychiatrische expertise.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, onder meer door psychische klachten en chronische hoofdpijn. De Raad oordeelde dat er geen nieuwe medische informatie was die de eerdere beoordeling onderbouwde. De medische rapporten en onderzoeken toonden geen neurologische afwijkingen of toegenomen beperkingen. De Raad concludeerde dat appellante op de datum in geding belastbaar was voor ten minste één WIA-functie en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij geschikt is voor ten minste één WIA-functie.