Uitspraak
21.804 WIA
OVERWEGINGEN
.Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 oktober 2018 ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig monteur van scheepsmotoren, viel uit wegens psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Na bezwaar en beroep stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast tussen 65 en 80 procent. De rechtbank vernietigde een eerdere beslissing vanwege onvoldoende motivatie over beperkingen in hand- en vingergebruik en beval een nieuw medisch onderzoek.
Het UWV nam een nieuw besluit na aanvullend medisch en arbeidsdeskundig onderzoek, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op circa 75,93%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over de knijpkracht en geschiktheid van functies, en stelde dat het beleid van het UWV onrechtmatig was. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank volledig, vond het medisch onderzoek zorgvuldig en het arbeidskundig oordeel juist gemotiveerd, en bevestigde dat het beleid omtrent reductiefactoren binnen SBC-codes niet in strijd is met regelgeving.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.