ECLI:NL:CRVB:2021:3085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek WIA-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante ontving vanaf 2001 een WAO-uitkering die in 2005 werd beëindigd wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. In 2012 vroeg zij een herziening aan wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid door MS, maar het UWV wees dit af omdat de verslechtering niet voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor zij eerder een uitkering ontving.
In 2017 verzocht appellante opnieuw om herziening met nieuwe medische informatie, waaronder rapporten van een neuroloog en reumatoloog. Het UWV en de rechtbank oordeelden dat deze informatie onvoldoende concreet was om te concluderen dat sprake was van dezelfde ziekteoorzaak. De Raad volgde dit oordeel en wees het verzoek af op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb.
De Raad overwoog dat de medische stukken geen overtuigend bewijs leverden dat de diagnose MS al in 1999 aanwezig was en dat de klachten destijds voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak. Ook de door appellante voorgestelde benoeming van een onafhankelijk deskundige werd niet noodzakelijk geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek wordt bevestigd.