ECLI:NL:CRVB:2021:3055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens laattijdige ziekmelding en arbeidsgeschiktheid
Appellant was werkzaam als afwasser en ontving van februari tot april 2012 een WW-uitkering en vervolgens bijstand. Op 19 juni 2018 meldde hij zich met terugwerkende kracht per 15 maart 2012 ziek en vroeg een Ziektewetuitkering aan. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant op die datum arbeidsgeschikt was en wees het bezwaar af.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de medische informatie geen aanleiding gaf tot twijfel aan het oordeel dat appellant zijn werkzaamheden kon verrichten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende was, dat hij structurele klachten had en dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige benoemde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was, ook zonder persoonlijk onderzoek vanwege de laattijdige ziekmelding. De Raad stelt dat appellant onvoldoende medische objectieve stukken heeft overgelegd om ongeschiktheid aannemelijk te maken. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Ziektewetuitkering wegens laattijdige ziekmelding wordt bevestigd.