ECLI:NL:CRVB:2021:298
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet
Verzoeker, woonachtig in Duitsland en ontvanger van een AOW-uitkering, was het niet eens met de vaststelling van de buitenlandbijdrage voor het jaar 2016 door het CAK. Na een herziening werd de bijdrage aanzienlijk verhoogd, waarna verzoeker bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond en handhaafde het besluit.
Verzoeker vroeg vervolgens bij de Centrale Raad van Beroep om een voorlopige voorziening voor terugbetaling van een bedrag dat hij te veel zou hebben betaald. De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van vaste rechtspraak een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed en dat dit niet bedoeld is om de hoofdzaak te bespoedigen.
Omdat verzoeker geen acute financiële noodsituatie of zwaarwegend belang aannemelijk maakte, werd het verzoek afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 3 februari 2021 door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.