ECLI:NL:CRVB:2021:2889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde Ziektewet-uitkering en afwijzing WW-uitkering voorheen ziekgemelde werknemer
Appellant meldde zich op 6 maart 2018 ziek vanuit werkloosheid en ontving na afloop van de WW-periode een voorschot op een Ziektewet-uitkering vanaf 5 juni 2018. Het UWV verklaarde appellant op 6 maart 2018 arbeidsgeschikt voor zijn eigen werk, waardoor hij geen recht had op ZW-uitkering vanaf die datum. Het UWV vorderde vervolgens het onverschuldigd betaalde ziekengeld terug.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Ook het bezwaar tegen de terugvordering werd ongegrond verklaard, omdat appellant niet aannemelijk maakte dat terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zou hebben. De aanvraag voor een WW-uitkering werd aanvankelijk afgewezen omdat appellant ziek zou zijn, maar na bezwaar werd de WW-uitkering toegekend met ingang van 1 oktober 2018.
De rechtbank verklaarde alle beroepen ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het medisch rapport ondanks een onjuist BSN en naam wel duidelijk betrekking had op appellant, dat geen dringende redenen voor afzien van terugvordering bestonden, en dat appellant vanaf 1 oktober 2018 beschikbaar was voor arbeid. Het verzoek om vergoeding van schade werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van onverschuldigde ZW-uitkering wordt bevestigd; de WW-uitkering wordt toegekend vanaf 1 oktober 2018.