ECLI:NL:CRVB:2006:AV3001
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor arbeid en afwijzing WW-uitkering met terugwerkende kracht
Appellant diende een aanvraag in voor een WW-uitkering met ingang van 1 november 2000, nadat zijn aanvraag voor een WAO-uitkering was afgewezen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Hoewel appellant op werkbriefjes aangaf ziek te zijn, vulde hij ook een beschikbaarheidsverklaring in waarin hij zich beschikbaar stelde voor passende arbeid in afwachting van de WAO-beroepszaak.
De uitkeringsinstantie wees de WW-aanvraag af met het argument dat appellant niet beschikbaar was voor arbeid, mede gebaseerd op ingevulde werkbriefjes waarin ziekte werd aangegeven. De rechtbank oordeelde dat alleen de periode vanaf juli 2001 relevant was en verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat de rechtbank ten onrechte de periode van 1 november 2000 tot juli 2001 buiten beschouwing liet. De Raad oordeelt dat appellant zich op en na 1 november 2000 beschikbaar stelde voor arbeid, mede gelet op de ingevulde beschikbaarheidsverklaring en het feit dat appellant de WAO-afwijzing bestreed.
De Raad benadrukt dat het uitvoeringsorgaan ondubbelzinnige en genoegzame onderbouwing moet leveren om niet-beschikbaarheid aan te nemen, wat hier ontbreekt. De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt het uitvoeringsorgaan op een nieuw besluit te nemen, inclusief het verzoek om wettelijke rente wegens niet-tijdige betaling van de uitkering.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de WW-uitkering wordt vernietigd met opdracht tot een nieuw besluit.