ECLI:NL:CRVB:2021:274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging mate van arbeidsongeschiktheid op 41,83% na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als verkoop-/kassamedewerkster, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij 41,83% arbeidsongeschikt was en wees een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij volledig arbeidsongeschikt was, onderbouwd met medische rapporten en verwees naar eerdere jurisprudentie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De geselecteerde functies pasten binnen de vastgestelde beperkingen. In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen onderschat waren, met name op het gebied van fysieke en psychische klachten.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de medische rapporten en onderzoeken, waaronder MRI’s en specialistische beoordelingen, geen aanleiding gaven tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De informatie van de chiropractor werd minder zwaar gewogen vanwege het niet-reguliere karakter. Ook het arbeidskundig oordeel over de passendheid van functies werd bevestigd.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op 41,83% en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is terecht vastgesteld op 41,83% en het hoger beroep wordt afgewezen.