Uitspraak
20.4158 AOW
Partijen zijn niet verschenen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1952, woonde tot 13 juli 2018 op Bonaire en daarna in Europees Nederland. Op 13 december 2018 vroeg zij een partieel ouderdomspensioen aan op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees deze aanvraag op 16 april 2019 af, en verklaarde het bezwaar van appellante op 18 februari 2020 ongegrond omdat zij niet verzekerd was voor de AOW tijdens haar verblijf op Bonaire en minder dan een jaar in Europees Nederland woonde bij het bereiken van haar AOW-leeftijd.
De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep herhaalden partijen hun standpunten. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat alleen ingezetenen van Europees Nederland verzekerd zijn voor de AOW. De staatskundige wijzigingen van 10 oktober 2010 veranderden hier niets aan. Het feit dat appellante sinds 2018 in Europees Nederland woont en een pensioen ontvangt op grond van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, leidt niet tot een andere conclusie.
De Raad benadrukte dat het Caribisch Nederlands socialezekerheidsstelsel een eigen systeem kent met lagere uitkeringen dan het Europees Nederlandse stelsel. De beperking van de AOW-verzekeringsplicht tot ingezetenen van Europees Nederland is objectief gerechtvaardigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 21 oktober 2021 openbaar uitgesproken door M. Wolfrat.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het partieel ouderdomspensioen wegens niet-verzekerd verblijf op Bonaire en te kort verblijf in Europees Nederland.