ECLI:NL:CRVB:2021:271
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende belastbaarheid ondanks ziekte van Von Recklinghausen
Appellant, voormalig productiemedewerker, ontving een Ziektewetuitkering na ziekmelding in 2013 en diverse herbeoordelingen door het UWV. Na medisch onderzoek in januari 2017 werd vastgesteld dat appellant in staat was lichte functies te verrichten, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellant voerde hoger beroep aan met nieuwe medische stukken, waaronder een rapport van een verzekeringsarts en fysiotherapeut, waarin hij stelde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn vanwege de ziekte van Von Recklinghausen en een gedeeltelijke dwarslaesie met ernstige pijnklachten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische situatie van appellant sinds januari 2017 niet was verslechterd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde overtuigend dat de door appellant overgelegde nieuwe rapporten geen aanleiding geven tot een andere beoordeling. De Raad volgde het standpunt dat appellant de eerder geselecteerde lichte functies kan vervullen, mede omdat de beperkingen medisch niet verder geobjectiveerd konden worden.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.