ECLI:NL:CRVB:2021:2660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid van 62,39% door UWV per 9 mei 2019
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage van 62,39% per 9 mei 2019 door het UWV, waarbij hij onder meer stelde dat er onterecht geen urenbeperking werd aangenomen en dat eerdere beperkingen uit een WSW-indicatie niet werden meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV juist was, onderbouwd met rapporten van verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. In hoger beroep heeft appellant aanvullende argumenten ingebracht, waaronder nieuwe medische informatie en een verhoogde uitkering per 1 februari 2020.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en navolgbaar zijn en dat de WSW-indicatie niet vergelijkbaar is met de WIA-beoordeling. De aanvullende beperking voor beroepsmatig autorijden is meegenomen, maar een verdere urenbeperking is niet onderbouwd. De geselecteerde functies overschrijden de belastbaarheid van appellant niet.
De Raad bevestigt daarom de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 62,39% per 9 mei 2019 en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van 62,39% arbeidsongeschiktheid per 9 mei 2019 door het UWV wordt bevestigd.