ECLI:NL:CRVB:2021:2659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant werkte tot december 2013 als koerier en ontving daarna een WW-uitkering. Vanaf maart 2014 meldde hij zich ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid, die later werd herbeoordeeld. Een verzekeringsarts stelde in juli 2019 beperkingen vast, waarna een arbeidsdeskundige de arbeidsongeschiktheid berekende op ongeveer 24,5%.
Het UWV besloot in augustus 2019 dat appellant geen recht meer had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard na aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch oordeel zorgvuldig was, waarbij ook rapporten van revalidatieartsen werden betrokken.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij volledig arbeidsongeschikt was, maar onderbouwde dit niet verder. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld en de uitkering terecht had beëindigd. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige of het toewijzen van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% heeft vastgesteld en de WGA-uitkering heeft beëindigd.