ECLI:NL:CRVB:2021:2606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens te lang verblijf in buitenland
In deze zaak stond de intrekking en terugvordering van bijstand centraal vanwege een verblijf van appellante van meer dan vier weken in Turkije in 2018. Vaststaat dat appellante in die periode was uitgesloten van het recht op bijstand.
Appellante voerde aan dat haar verblijf het gevolg was van een spoedopname in een Turks ziekenhuis wegens een hartaanval en beriep zich op dringende medische redenen als bedoeld in artikel 16 van Pro de Participatiewet. De Raad oordeelde echter dat zij dit niet aannemelijk had gemaakt, aangezien enkel een foto van haar in een ziekenhuisbed was overgelegd zonder bewijs van een acute noodsituatie.
Verder stelde appellante dat haar klantmanager haar had toegezegd dat alleen een waarschuwing zou volgen en geen terugvordering zou plaatsvinden. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen concrete toezeggingen of gedragingen van het college waren aangetoond.
Ook de betwisting van de hoogte van de terugvordering slaagde niet, omdat appellante dit niet concreet had onderbouwd. Tot slot werd het beroep op dringende financiële redenen verworpen, mede omdat appellante de wettelijke bescherming van de beslagvrije voet geniet.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.