ECLI:NL:CRVB:2021:2516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing IOAW-aanvraag en toekenning leenbijstand wegens onvoldoende WW-duur
Appellante vroeg een IOAW-uitkering aan nadat haar WW-uitkering was beëindigd. Het college wees de aanvraag af omdat zij niet de volledige WW-uitkeringsduur had doorlopen, zoals vereist in de IOAW. Appellante stelde dat haar persoonlijke omstandigheden een belangenafweging rechtvaardigden, maar de Raad oordeelde dat de dwingendrechtelijke bepalingen van de IOAW geen ruimte bieden voor afwijking.
Na afwijzing van de IOAW-aanvraag heeft het college de aanvraag ambtshalve aangemerkt als een verzoek om bijstand op grond van de Participatiewet en deze toegekend als lening. Appellante betwistte dit, stellende dat zij niet op korte termijn over voldoende middelen zou beschikken vanwege schulden en hoge kosten.
De Raad stelde vast dat appellante haar woning had verkocht met een verwachte overwaarde van circa €40.000, wat aannemelijk maakte dat zij op korte termijn voldoende middelen zou hebben. De vermeende hoge kosten, zoals hotelovernachtingen, vielen buiten de beoordelingsperiode. Daarom was het college bevoegd om bijstand als lening te verstrekken.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de IOAW-aanvraag en oordeelt dat het college terecht bijstand in de vorm van een lening heeft toegekend.